De wereld rondom ons beweegt snel. Te snel soms. Nieuws, verwachtingen, prikkels, meningen — alles komt aan de lopende band binnen.
En ons lichaam? Dat probeert bij te houden. Hoewel we veilig op de bank zitten, reageert ons lichaam toch alsof het gevaar dichtbij is. Dat is geen aanstellerij. Dat is fysiologie.
Ons brein maakt nauwelijks onderscheid tussen iets zien en iets meemaken. Beelden komen rechtstreeks binnen in het emotionele brein. Het lichaam denkt: dit gebeurt nu.
Het stresssysteem wordt geactiveerd waardoor adrenaline en cortisol (de stresshormonen) vrijkomen, de ademhaling wordt oppervlakkiger, de hartslag versnelt, de spieren spannen zich aan, vooral in kaak, nek en schouders. Het lichaam bereidt zich met andere woorden voor op vechten of vluchten. Maar we doen geen van beide. We blijven zitten.
De spanning krijgt geen ontlading en nestelt zich in het lichaam.
Wanneer dit zich herhaalt — dag na dag, beeld na beeld — blijft het zenuwstelsel in waakstand. Zelfs wanneer het nieuws uit staat.
Als gevolg daarvan kampen mensen met innerlijke onrust, ze slapen slecht, zijn prikkelbaar, zijn emotioneel afgevlakt of net overgevoelig en hebben het gevoel dat ze nooit tot rust komen.
Het lichaam weet vaak eerder dan wij wanneer het te veel wordt. Spanning bouwt zich op. De adem verkleint. Het zenuwstelsel blijft ‘aan’ staan.
Datzelfde lichaam is de sleutel om tot rust te komen. Waar de chaos in de buitenwereld ons aan het wankelen brengt, vraagt ons zenuwstelsel om opnieuw naar binnen te keren. Op die manier krijgt je lichaam de boodschap: Je bent veilig. Je mag vertragen.
En dan gebeurt er iets essentieels: de adem verdiept. spanning mag zakken, en het lichaam herinnert zich hoe rust voelt.
Als je merkt dat de buitenwereld je uit balans brengt,als je zenuwstelsel gespannen blijft, zelfs wanneer je ‘alles goed doet’ — misschien is dat dan geen moment voor meer discipline, maar wel voor meer zorg.
Voor aanraking.
Voor vertraging.
Voor ruimte om weer te ademen.








